apr 152021
 

Sjeng Schoenmakers (vooraan) was een sociaal bewogen, activistische mijnwerker, een van de leiders van het vergeefse verzet tegen het besluit van de regering om de mijn niet in exploitatie te nemen. Na de officiële sluiting woonde Schoenmakers met zijn gezin in de portiersloge ter bewaking van het verlaten terrein. Foto www.gluckauf.nl, overgenomen uit het boek.

Bespreking van: Luc Wolters, Staatsmijn Beatrix. Gemiste kans of zegen? Vantilt, 2018, ISBN 978 94 6004 3840.

Vijf *****

Het is nog geen zeventig jaar geleden, 1952, dat het kabinet onder leiding van premier Drees besloot dat er in de Roerstreek, ten oosten van Roermond, een grote nieuwe kolenmijn aangelegd moest worden. Daarop brak in die nogal achtergebleven, afgelegen boerenstreek een ware goudkoorts uit. In hoog tempo werden plannen gemaakt voor nieuwe straten en wegen, een spoorlijn, een haven, riolering, straatverlichting, waterleiding, gezondheidscentra en grotere scholen en kerken. De enthousiaste en ferme burgemeester van Vlodrop en Melick-Herkenbosch, Eugène Rutten, stond op het biljart zijn middenstanders op te roepen om vooral te investeren en uit te breiden en ‘daarbij niet op duizend gulden te letten’. En dat deden ze! Er is zelfs een ontwerp gemaakt voor een heel nieuw dorp, Berkenrode, voor het mijnpersoneel dat vlakbij moest wonen om essentiële taken van de nieuwe Staatsmijn Beatrix uit te kunnen voeren.

De Waarheid

Die goudkoorts heeft zeven jaar geduurd en toen kwamen de eerste serieuze berichten dat de Beatrix misschien toch niet door zou gaan. En weer drie jaar later, in 1962, viel het dubbeltje definitief de andere kant op: de regering besloot toch maar af te zien van de mijn want de kolen zouden te duur worden en de economie schakelde in hoog tempo over op olie en aardgas. Het leidde tot boze protesten in die dorpen, een vuurtje dat werd aangewakkerd door de CPN en het dagblad De Waarheid, die er een kapitalistisch complot van Shell en Esso in zagen.

De werkelijkheid was dat het staatsbedrijf, de Staatsmijnen, nooit veel heil in het nieuwe kolenveld had gezien. Het lag te ver weg van alle infrastructuur van het mijngebied in Zuid-Limburg en het carboon lag te diep. Tegen heug en meug ging de directie van de Staatsmijnen toch onder druk van de regering aan de slag, want die hield lang vast aan het idee dat extra steenkolen Nederland op energiegebied onafhankelijker zou houden.

Met innovatieve techniek hebben de ingenieurs en de werkers van de Beatrix prachtige schachten van vijfhonderd meter diepte geboord. Vanaf de hele wereld kwamen collega’s kijken om het te bewonderen. Maar tegen de tijd dat die schachten klaar waren, was eindelijk ook het kabinet om. Het gaf gehoor aan de directie van de Staatsmijnen die bleef benadrukken dat de mijn verliesgevend zou zijn en dat zij tot nog meer onverkoopbare voorraden van steenkolen zou leiden.

Nationaal Park

Deze boeiende geschiedenis heeft Luc Wolters zorgvuldig, met gevoel voor detail en met mooie foto’s beschreven in het boek Staatsmijn Beatrix. Gemiste kans of zegen?  De titel verraadt al dat Wolters er uiteindelijk een zegen in ziet voor de Roerstreek. Als de mijn door was gegaan, zou de welvaart in die dorpen flink zijn gestegen, maar hun landelijke karakter zouden ze hebben verloren. Misschien nog belangrijker: de mijn zou midden in het bosgebied hebben gelegen dat we nu kennen als het Nationaal Park de Meinweg, een naam die verwijst naar het gemeenschappelijk gebruik van die woeste gronden in vroeger eeuwen.

De directie van de Staatsmijnen had bij de regering bedongen dat het Rijk de kosten op zich zou nemen die nodig waren om de dorpen in de Roerstreek bij de tijd te brengen. Er is jarenlang strijd over geweest welke kosten daar wel en niet onder moesten vallen en de betrokken gemeenten hebben flink moeten lobbyen om hun investeringen vergoed te krijgen. Bijzonder is dat ze daarbij de opdrachtgever van de Staatsmijnen, de minister van Economische Zaken, steeds aan hun zijde vonden. De weerstand zat bij de minister van Financiën en de minister-president die al gauw vonden dat de gemeenten hun eigen boontjes maar moesten doppen, ook al hadden die niet daarom gevraagd.

Modernisering

Maar dankzij die investeringen ondergingen de boerendorpen, die overigens in de oorlog zwaar beschadigd waren, in korte tijd een flinke modernisering. Er kwamen zwembaden, bibliotheken, grotere scholen, bredere wegen en je kon, zoals in die tijd werd gezegd, bij de uitbundige straatverlichting de krant lezen. Belangrijker nog was vervolgens de aanleg van een groot industrieterrein dat veel werk bood.

De dorpen van dit verhaal vormen tegenwoordig de gemeente Roerdalen en die maakt voor zichzelf reclame als een toeristisch gebied met veel ‘plekjes van klein geluk’. Als de mijn Beatrix was aangelegd, waren dat er heel wat minder geweest.

Share
apr 152021
 

boekbespreking door Pieter Maessen

De krant waar dit boek over gaat is een instituut. Dat was zij vanaf het begin en zij is het nog steeds, zeker als je let op het aantal primeurs en de degelijke onderzoeken die haar journalisten doen. De krant heeft nog steeds trekken van het ‘liberale avondblad’ zoals Trouwcolumnist Hans Goslinga haar consequent noemt. Wie in Nederland indruk wil maken met een opiniestuk of een overlijdensannonce, kiest eerder voor dit dan voor een ander dagblad. Maar het instituut heeft in de loop der jaren ook heel wat slijtage opgelopen en is een paar keer flink verbouwd.

Dat komt allemaal uitvoerig aan bod in de geschiedenis die oud-redacteur John Kroon heeft geschreven. Het is een behoorlijk dik boek en Kroon heeft zijn best gedaan niets over te slaan, zoals dat hoort in een grote familiegeschiedenis. Elke oom en nicht moet een keer genoemd worden. De lezer kan daar naar hartelust in grasduinen en dan valt er veel te vinden dat interessant is.

Kroon heeft een heel heldere stijl, schrijft luchtig en hij spaart niets en niemand. Alle grote en kleine affaires en ontwikkelingen komen aan bod en niemand wordt op een voetstuk geplaatst zonder ook een raillerende opmerking te moeten incasseren.

Deze geschiedenis laat ook zien hoe lastig het is om tweehonderd intellectuelen samen aan één product te laten werken, mensen die liefst bij alles vraagtekens zetten, het vaak beter menen te weten en voor wie hiërarchie niet allesbepalend is. Vooral spannend zijn de pagina’s over de jaren van de vorige hoofdredacteur, de Vlaming Peter Vandermeersch. Hij heeft de krant een heel nieuwe kant op gestuurd, maar het duurde een paar jaar eer dat uitgekristalliseerd was en intussen gingen er regelmatig dingen mis. Op het hoogtepunt van de transformatieperikelen schreef Mark Kranenburg, voorzitter van de redactieraad, in een mailtje aan een collega dat het leek of de redactie een gesticht was, ‘maar wel óns gesticht’.  Per ongeluk stuurde hij dat mailtje naar alle redacteuren. Dat soort incidenten haalt dan weer de druk van de ketel.

Ik kan me voorstellen dat iemand die over honderd jaar dit boek leest, een heel verrassend beeld krijgt door het zijlicht dat het werpt op de Nederlandse geschiedenis in de periode 1970-2020. Goed bewaren dus.

Share
jan 062021
 

Iedereen die werkt op een ministerie heeft eigenlijk maar één focus: het ondersteunen van de eigen minister bij het vormen en uitvoeren van haar of zijn beleid. Natuurlijk zijn er ook andere ministeries die nuttige dingen doen, maar als je op ministerie X werkt dan telt alleen het goed functioneren van de baas van ministerie X. Op deze regel bestaat in Nederland één uitzondering: op het ministerie van Buitenlandse Zaken heb je het directoraat-generaal Europese Samenwerking en dat werkt zich een paar keer per jaar uit de naad voor de minister-president, die het Nederlandse lid is van de Europese Raad, het hoogste politieke sturingsorgaan van de Europese Unie.

Die Europese functie van de minister-president is precair omdat hij daarmee op het werkterrein komt waarvoor in de eerste plaats de minister van Buitenlandse Zaken (BZ) verantwoordelijk is. Die spanning tussen de bewindspersonen BZ en van Algemene Zaken (AZ) bereikte een kleine dertig jaar geleden een hoogtepunt toen Ruud Lubbers minister-president was en Hans van den Broek leiding gaf aan BZ.

Lubbers vond dat hij, na een voorbespreking ik de Ministerraad, Nederland naar beste vermogen en met een eigen invulling in de Europese Raad kon vertegenwoordigen en dan achteraf daarover verantwoording kon afleggen. Ook vond Lubbers dat hij, zo nodig op eigen houtje, bilateraal contact moest kunnen houden met de leiders van andere EU-landen. Van den Broek zag dat – begrijpelijk –als een uitholling van zijn bevoegdheden.

Het conflict tussen beiden is formeel nooit opgelost maar werd gesust doordat Lubbers zei dat het eigenlijk geen groot probleem was en dat het in de praktijk altijd wel goed kwam. Dat is opmerkelijk omdat het wel gaat over één van de grondbeginselen van onze staatsinrichting, namelijk dat de minister-president primus inter pares is in de Ministerraad. Hij is weliswaar voorzitter van die raad, maar heeft niet meer bevoegdheden dan de andere leden. Toch claimde Lubbers dat hij de ruimte moest hebben om in de Europese Raad zo nodig standpunten in te nemen die konden afwijken van die van de minister van Buitenlandse Zaken. Er zijn in de loop der jaren voorstellen gedaan om dit formeel op te lossen, maar geen enkel daarvan heeft het gehaald.

Deze belangrijke kwestie is nu heel helder en vlot beschreven in het proefschrift van David Nederlof. De jonge doctor in de Rechtsgeleerdheid behandelt de constitutionele en historische aspecten van het lidmaatschap van de Europese Raad in drie landen: Duitsland, België en Nederland. In Duitsland is het overzichtelijk omdat de Bondskanselier een extra Kompetenz heeft. In Nederland is het probleem van de spanning tussen de ministeries van BZ en AZ pragmatisch onder het tapijt gemoffeld. In België is het pas echt lastig omdat de federale regering daar steeds minder bevoegdheden heeft, maar de federale minister-president wel namens alle gewesten en gemeenschappen moet spreken.

Voor alle drie de landen concludeert Nederlof dat het lidmaatschap van de Europese Raad in feite de positie van de regeringsleider heeft versterkt. Zij of hij treedt een paar keer per jaar op in het hoogste politieke forum van Europa. De regeringsleiders beslissen vaak over netelige politieke kwesties van dat moment en dat gaat gepaard met veel media-aandacht.

In Nederland is met de spanning tussen AZ en BZ te leven. Wat daarin, denk ik, meetelt is de persoonlijke verhouding tussen de betrokken ministers en soms hun gemeenschappelijke partijlidmaatschap. Rutte heeft de afgelopen jaren niet veel last gehad van zijn partijgenoten Halbe Zijlstra en Stef Blok. Maar een krachtige persoonlijkheid als Van den Broek aarzelde niet om het conflict met Lubbers aan te gaan, ondanks het feit dat zij partijgenoten waren.

Een andere factor die werkt als smeerolie is de ambtelijke ondersteuning. Het is altijd de strategie van het ministerie van Algemene Zaken geweest om een heel kleine ambtelijke staf te hebben en zich zo weinig mogelijk te bemoeien met zaken van andere ministeries. Daarom heeft de minister-president maar een enkele raadsadviseur die hem helpt is zijn rol als lid van de Europese Raad. De bulk van het voorbereidende werk doen de mensen van het directoraat-generaal Europese Samenwerking, de permanente vertegenwoordiging van Nederland bij de EU in Brussel en de ambassades. Dat zijn onderdelen van het ministerie van BZ en die zullen steeds goed opletten of hun adviezen aan de MP voldoende sporen met die van hun directe baas van BZ.

Zo functioneert de ambtelijke dienst van BZ als brug tussen twee ministers die zich met de grote Europese politiek bemoeien. Het is nergens precies geregeld, het is pragmatisch en het blijkt te werken.

 

David Nederlof, Membership of the European Council in a Constitutional and Historical Perspective. Proefschrift, Universiteit van Amsterdam. Uitgave: European Law Publishing. ISBN 9789462512214. € 79.50.

Share
dec 122020
 

door Pieter Maessen
Het is boeiend om Geert Maks Hoe God verdween uit Jorwerd nog eens te lezen en meteen daarna Het landschap, de mensen van Auke van de Woud.  Mij is uit dit laatste boek vooral bijgebleven dat economische krachten de belangrijkste aanjagers zijn geweest van veranderingen in het landschap. De Nederlandse overheid had al vroeg in de negentiende eeuw begrepen dat ons land een belangrijke voedselexporteur kon worden als de landbouw en de veehouderij efficiënt zouden worden georganiseerd. Van der Woud geeft zijn boek als motto een citaat mee uit De Economist uit 1855: ‘Wat is landbouw? Een groote voedsel-fabriek.’

Die doelmatigheid en de exportkansen wogen voor de overheid zwaarder dan de zorg om het inkomen van kleine boeren. Er kwamen van bovenaf geregisseerde programma’s voor inpoldering, ontginnen van woeste gronden, ruilverkaveling, schaalvergroting, intensivering en focus op efficiënte gewassen en hoogproductieve rassen van koeien en varkens. Van der Woud maakt duidelijk dat de Nederlandse overheid daarin een heel grote, sturende rol heeft gespeeld, meer dan in welke andere sector behalve, denk ik, de mijnbouw (kolen, gas). Geert Mak vertelde ons hoe God verdween uit Jorwerd doordat de landbouw een steeds kleinere rol ging spelen in dat dorp. Van der Woud laat goed zien dat God niet zomaar is verdwenen uit Jorwerd, maar dat hij eruit is verjaagd door ­economische krachten. Die hebben ons veel welvaart gebracht en een einde gemaakt aan het miezerige bestaan van honderdduizenden keuterboeren. Maar zij hebben ook ons landschap en onze natuur bijna onherstelbaar verwoest. De rijksoverheid komt nu heel langzaam op haar schreden terug met plannen voor kringlooplandbouw, biodiversiteitsherstel en een bossenstrategie. Maar ik ben bang dat we de rijke natuur van Jac. P. Thijsse nooit meer terug zullen zien komen.

Deze bijdrage verscheen als ingezonden brief in De Groene Amsterdammer van 10 december 2020

Share
jul 172020
 

Bespreking door Pieter Maessen.

Journaliste en geograaf Floor Milikowski heeft veel bekende personen uit de wereld van de ruimtelijke economie opgezocht om dit boek samen te stellen over veranderend Nederland. Wie professioneel in dit onderwerp is geïnteresseerd, leest niet veel nieuws. De waarde van het boek is dat het scherp de dilemma’s toont waar beleidsmakers en ruimtelijk planners nu mee worststelen.
Milikowski is volstrekt onafhankelijk en worstelt zelf met de problematiek. Zij begrijpt de economische en ruimtelijke processen maar wil zich niet neerleggen bij de groeiende kloof in Nederland tussen centrum en periferie of die tussen rijk en arm. Zij zoekt de spanning op in Emmen, Veenhuizen, in Arnhem-Nijmegen, in Zuid-Limburg, Eindhoven, Helmond en enkele andere regio’s.
Vooral het hoofdstuk over Schiphol is prikkelend. Zij stelt daar het conservatisme aan de kaak van de ambtelijke top van het ministerie die op een schofferende manier een kritisch advies over de toekomst van de luchthaven naar de prullenbak verwees. Mooi is dat ze dat zonder kwalificaties doet. De lezer mag zelf een oordeel vormen. Ook het hoofdstuk over de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening en de VINEX is een mooie terugblik op de totstandkoming van die beeldbepalende nota’s.
Het boek is geschreven vóór de coronauitbraak. Misschien veroudert het snel omdat onze samenleving niet meer helemaal terugkeert naar het oude patroon van dagelijks forensen naar enorme kantoorgebouwen en onderwijsinstellingen. Dan zal dit boek het einde van een tijdperk markeren. Al zal Milikowski de eerste zijn om toe te geven dat de steden hun aantrekkelijkheid zullen blijven behouden omdat persoonlijke ontmoetingen en netwerken nu eenmaal niet helemaal door digitale contacten kunnen worden vervangen.

Lees meer boekbesprekingen van Pieter Maessen op De leesclub van Alles.

Share
apr 222020
 
  •  
 

Rond de eerste grote tv-toespraak van Mark Rutte over de coronacrisis in maart 2020 is vaak een vergelijking gemaakt met die van zijn voorganger Den Uyl tijdens de oliecrisis van 1973. Die laatste rede is gemakkelijk te vinden op YouTube, maar alleen in een samenvatting van drie-en-een-halve minuut. In werkelijkheid sprak Den Uyl bijna vijf keer zo lang. Het is interessant om de volledige inhoud, stijl en beelden van beide toespraken met elkaar te vergelijken en te analyseren hoe Rutte vanuit het torentje anders presenteert dan tijdens een persconferentie. Bekijk daarvoor mijn bijgevoegde artikel in pdf.

 

Share
nov 222019
 

Dit boek gaat over hoeveel één politicus en bestuurder kan bereiken als hij weet wat hij wil en vasthoudend is. En bovendien erin slaagt democratisch te blijven werken, dus telkens weer meerderheden voor zijn standpunten weet te vinden.

Adri Duivesteijn kon dat, maar het ging vaak gepaard met felle conflicten, boze uitbarstingen en arrogantie. Hij is een sociaaldemocraat van de klassieke stempel. Het ging hem om de menselijke maat, bouwen voor de buurt en mensen de kans geven hun eigen leefomgeving te ontwikkelen. Zeker als wethouder van Almere heeft hij daarmee spectaculaire woonstraten laten ontstaan, waar particulieren zonder welstandstoezicht hun eigen huis mogen bouwen. Dat moet ongetwijfeld wel eens gebotst hebben met zijn drang naar de hoogste architectonische kwaliteit.

Die kwaliteitsdrang bracht hem eind jaren tachtig in conflict met zijn collega-wethouder Gerard van Otterloo, ook PvdA. Die broederstrijd kon de lokale PvdA-leider Martin van Rijn destijds alleen beslechten door beide wethouders de laan uit te sturen. Toch staat aan het Spui in de hofstad nu Duivesteijns stadhuis. Van Otterloo overleed enkele dagen voor de presentatie van dit boek, waarbij Duivesteijn hem stijlvol herdacht.

Het boek over Duivesteijns werk is geschreven door twee bewonderaars en liefhebbers van goede stedelijke ontwikkeling. Zij hebben 54 mensen rondom de politicus-bestuurder geïnterviewd en op basis daarvan een heel toegankelijke chronologie van diens werkzame leven geschreven. De politieke en bestuurlijke spanningen komen wel aan bod, maar hebben niet de overhand. Daarmee is het vooral een monument voor de visionair en macher Adri Duivesteijn.

Het boek is een uitgave in eigen beheer van Winfred en Annelies Haase. Het is verkrijgbaar via de (internet)boekhandel. Prijs € 20,00 excl. verzendkosten.  Het boek telt 370 pagina’s, een fotokatern en een namenregister. Prijs € 20,00. ISBN 978-90-818742-6-7

Share
aug 072019
 

Bespreking van: Albert Faber: De gemaakte planeet. Leven in het Antropoceen.Amsterdam University Press 2018.

Het debat tussen eco-optimisten en -pessimisten gaat over de fundamentele vraag waar we met de wereld en de mensheid naartoe gaan. Blijven de continenten (nog net) leefbaar omdat we – vooral dankzij technologisch vernuft – tijdig en voldoende in actie komen? Of zitten we al op een stijle glijbaan die ons onherroepelijk dwingt tot massale volksverhuizingen waarbij hele volkeren misschien wel in hun bestaan worden bedreigd.

Een eenvoudig antwoord is er niet, zo lezen we in De gemaakte planeet. Leven in het Antropoceen. Dit is een bijzonder interessant en prettig leesbaar boek van Albert Faber, voormalig medewerker van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid en sinds enkele jaren werkzaam bij de strategische directie van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat.

Faber neigt naar optimisme, hij heeft enig vertrouwen in het vermogen van de mensheid om de aarde op den duur leefbaar te houden. Maar dat vertrouwen is niet gestoeld op rechtlijnige axioma’s. Hij verwerpt blind geloof in technologie en in dictatoriale, door verlichte despoten opgelegde duurzaamheidsmaatregelen.

Faber gaat ervanuit dat de natuur en de menselijke cultuur al helemaal met elkaar verweven zijn. De mens is al meester van een groot deel van de aarde en van zijn lichaam. Hij heeft daar, naast veel kwaad, ook veel goeds mee gedaan. Actief beheer van de natuur is onvermijdelijk. Maar dat betekent ook dat de mens aan de natuur rechten moet toekennen, zoals al gebeurt met bescherming van rivieren, van natuurgebieden en van biodiversiteit. De politiek moet zich daar actief mee bemoeien en niet alleen om de natuur te beschermen. De mens moet ook zorgen dat de natuur veerkracht behoudt, zodat de aarde het vermogen heeft tegenslagen op te vangen. Die tegenslagen zullen er komen, ze zijn niet te vermijden.

Faber ziet het cultuur-natuur-domein waarin we leven niet als een machine, die we als het ware moeten repareren om hem weer soepel en zonder uitputtingsverschijnselen te laten lopen. Want een machine is een ontwerp met een gebruiksaanwijzing; het mens-natuur-domein daarentegen is een zeer complex geheel van politiek, techniek, natuurwetten, geschiedenis en cultuur. Daarvan bestaat geen ontwerptekening en er is geen handleiding. Er is vooral een enorme complexiteit, maar dat is iets anders dan chaos waarvan je hopeloos zou worden.

In de complexiteit zijn er wetmatigheden die ons aanknopingspunten bieden om invloed uit te oefenen. Faber vergelijkt het met de ontwikkeling van het internet: dat is niet door een groep ict’ers ontworpen en in het leven geroepen. Het is de complexe uitkomst van steeds nieuwe koppelingen en interacties, open en dynamisch. Maar het is wel een complexiteit waarin bedrijven en overheden kunnen ingrijpen om het functioneren ervan te beïnvloeden. ‘Complexiteit is een andere manier van denken over hoe de wereld in elkaar steekt. Het benadrukt onzekerheid en ongrijpbaarheid, maar een beter begrip ervan geeft ook handvatten voor omgang met een complexe wereld.’ (p. 122)

Vanuit deze benadering is het mogelijk na te denken over wat we kunnen doen met de schijnbare chaos van de klimaatverandering en de uitputting van de aarde. Wanneer we ons bewust zijn van de complexiteit, beseffen we dat ons handelen een zoektocht is, – dat ook technologisch onderzoek en beleidsmatige acties vooral zoektochten zijn.

Wij leren stapsgewijze, maar het is wel leren, er is vooruitgang, al is de uitkomst onzeker. Dat is niet efficiënt, maar wel effectief. ‘Juist door de complexiteit van het Antropoceen als uitgangspunt te nemen staren we ons niet meer blind op een valse belofte van sturing, maar vinden we een handvat voor stapsgewijze, daadwerkelijke verandering. Grootse en complexe vraagstukken zijn vaak onpersoonlijk, en mensen voelen zich onmachtig, apathisch en niet betrokken. Juist het durven zetten van kleine maar haalbare stappen geeft inspiratie, eigenaarschap en betrokkenheid. En dat is precies wat we nodig zullen hebben in het Antropoceen.’ (p. 139)

Deze benadering is politiek en institutioneel uiterst relevant en legt tegelijk kwetsbaarheid bloot. De kortademigheid van de hedendaagse politiek heeft geen genade met zoektochten. Beleid moet slagen en anders faalt het. Met een hartslag van dagelijkse nieuwsberichten en vierjaarlijkse verkiezingen biedt de moderne politiek geen erkenning voor het feit dat we ondanks een mislukking vooruitgang kunnen boeken.

Daarom is het zo belangrijk dat we instituties hebben met een lange adem, zoals politieke partijen met een beginselprogramma en universiteiten. In dit perspectief kunnen we ook de recente Klimaatwet zien als meer dan symboliek. Zij legt het doel vast, maar niet de middelen; deze wet is een institutionalisering van de zoektocht.

In deze benadering past ook het betoog van Faber voor radicale democratie. Van verlichte autocraten hebben we niets anders te verwachten dan het einde van de democratie. De politiek als zoektocht betekent dat iedereen mee verantwoordelijk is, dat iedereen mee kan en mag doen.

Besluiten hebben altijd een voorlopig karakter. Misschien blijken ze heel effectief te zijn, dat is mooi. En misschien denkt een politieke meerderheid er vijf jaar later weer anders over, dan verleggen we de koers. Dat is geen gemakkelijke weg, het is juist een traject met eindeloze discussies. Maar het houdt de belofte in dat we alle componenten van de complexe samenleving betrekken in het aanpassingsproces van de wereld.

Behoort Faber tot de eco-optimisten? In zekere zin wel, want hij heeft vertrouwen in beleidsmatige en technologische inventiviteit. Als je hem vraagt, zoals ik heb gedaan, of hij een antwoord heeft op pessimistische scenario’s met een snelle stijging van de zeespiegel, dan zegt hij onomwonden nee. Zijn intelligente boek is een oproep om hardnekkig op zoek te gaan naar beleid dat op feiten en onderzoek is gebaseerd en dat politiek en maatschappelijk op een ruime meerderheid kan rekenen. En om nooit te stoppen met het open gesprek daarover. 

Share
jan 022019
 

Nederland begint aan een nieuwe fase in zijn stedelijke ontwikkeling. De binnensteden zijn voor een groot deel klaar aan aan de buitenranden van de steden liggen de nieuwe Vinexwijken. Maar daartussen wonen honderdduizenden Nederlanders in op het oog heel gewone wijken, vaak uit de jaren vijftig en zestig. De belangstelling voor het verbeteren van die wijken groeit, niet alleen bij de corporaties, die de meeste woningen in bezit hebben, maar heel duidelijk ook bij commerciële ontwikkelaars.

In opdracht van het Watertorenberaad heb ik een rapport geschreven over vier proefprojecten die dat beraad in Zuid-Holland in dergelijke wijken heeft gedaan. Ik heb ze ‘tussenwijken’ gedoopt. Tussenwijken bestaan uit veel dezelfde, goedkopere woningen en naar verhouding weinig economische of culturele activiteiten. De omstandigheden zijn nu zowel gunstig als urgent om aan deze wijken veel meer aandacht te geven.

De vier onderzochte wijken zijn Moerwijk-West in Den Haag, Kop van Feijenoord in Rotterdam, Singelkwartier in Schiedam en Kuyperwijk in Delft. Met het onderzoek heeft het Watertorenberaad laten zien hoe tussenwijken een nieuwe toekomst kunnen krijgen. Een toekomst met betere woningen in een mooiere openbare ruimte, meer economische en culturele
activiteit, een duurzamer leefomgeving en met meer
betrokkenheid en zelfzorg van de bewoners.

Het volledige rapport staat op de website van het Watertorenberaad.

Share
dec 032017
 

Rinus van Schendelen is een autoriteit als het over politiek in Nederland, de EU en het lobbyen gaat. Maar wat heeft hem bezield bij zijn laatste boek?

Boekbespreking van:
Rinus van Schendelen, Beïnvloeding in Nederland en Europa. Achter de schermen van belangengroepen. AUP, 2017

Het verschijnen van Van Schendelens nieuwste boek ging vergezeld van puntige interviews in NRC Handelsblad en het FD. De auteur deed – zoals we hem kennen – pittige uitspraken over hoe sterk de Nederlandse politiek, het ambtelijk apparaat en het maatschappelijk middenveld het belang van Brussel onderschatten. De Rotterdamse emeritus hoogleraar politicologie kan daar smakelijk over vertellen, want hij heeft tientallen jaren ervaring in het adviseren van publieke en private organisaties. Dus, wanneer een man met zo’n statuur een boek uitgeeft met de titel Beïnvloeding in Nederland en Europa. Achter de schermen van belangengroepen, dan verwacht je interessante onthullingen en een mooie nabeschouwing van deze grand old man.

Maar wat je krijgt is volstrekt onleesbaar. Het lijkt het meeste op de aantekeningen van de hooggeleerde voor een collegereeks aan het einde van zijn loopbaan. ‘Ik ga het allemaal nog eens samenvatten’, moet hij hebben gedacht en vervolgens heeft hij zijn notities naar de uitgever gestuurd.

Het boek is geschreven in een dieventaaltje dat alleen Van Schendelen zelf kan begrijpen. Als voorbeeld een passage op p. 157 over waarom pressiegroepen zich op Brussel zouden moeten richten: ‘Bij geringe MI2 en 3B zien groepen de OT’s van dossiers pas als ze (bijna) voorbij zijn. Van de O’s horen zij eerder de subsidies dan de wetgeving die deze vooraf regelt. De T’s zijn nóg meer uit het zicht en een harde les zodra zij reëel zijn: zo’n T is vaak de O  (vice versa) van opponenten.” Ik herinner met dat O staat voor opportunities en T voor threats, maar aangekomen op die pagina kan ik me niet meer herinneren waar MI2 en 3B voor staan en ik kan het ook niet meer terugvinden.

Het boek staat vol analytische opsommingen en categorieën, maar na enkele tientallen pagina’s ben je als lezer het spoor bijster. Tegelijk ervaart de lezer dat hij waadt door een zee aan inzichten en ervaringen, maar hij heeft geen idee naar welke haven hij koerst. Het raadselachtige boek blijft nog een tijdje spannend omdat Van Schendelen helemaal niet negatief is over de EU. Hij geniet van het spel van instituties en democratische processen en elk daarvan fileert hij met lijstjes van wat goed en fout gaat. Maar wat moet je daarmee? Er is niets dat beklijft, geen structuur, geen boodschap. Veel inzichten maar geen uitzicht op beter begrip.

Uit de tientallen verwijzingen naar bronnen lijkt het alsof Van Schendelen een samenvatting heeft proberen te maken van al zijn eerdere publicaties. Het resultaat is onleesbaar en onbruikbaar.

Share