Regionale inbedding bepaalt succes van campus

 

impressie-center-court-zuidwest-kleinEen expeditie langs vier campussen in Nederland, België en Duitsland laat zien dat de regionale, economische en historische inbedding van een technologisch cluster veel belangrijker is dan de fysieke en ruimtelijke vorm ervan. Ook in een saaie, verouderde kantooromgeving kunnen fantastische innovaties tot stand komen.

Vier technologieparken vergeleken

Door Pieter Maessen

(Dit artikel is verschenen in RO-Magazine, september 2016 )

Op zoek naar succesfactoren van technologische campussen trok een gezelschap van dertig (semi)publieke beleidsmakers in juni twee dagen langs Eindhoven, Aken, Leuven en Sittard-Geleen. Initiatiefnemers waren Jeroen den Uyl en Gregor Heemskerk, beiden bij Twynstra Gudde gespecialiseerd in clusterontwikkeling.

Wereldtop

Drie van de vier campussen claimen overtuigend dat zij tot de wereldtop behoren. Het Limburgse Chemelot is zo ver nog niet. In alle vier de gevallen heeft het succes te maken met de stevige worteling van het cluster in de regio. Maar de besturingsmodellen van deze clusterorganisaties lopen sterk uiteen. De ene keer ligt het zwaartepunt bij de universiteit, de andere keer in het bedrijfsleven; nu eens is de overheid een hoofdrolspeler, de andere keer is zij slechts marginaal betrokken.

Jeroen den Uyl: ‘Cruciaal is dat kennis en handel of productie in een regio in elkaars nabijheid zijn, en die regio mag best groot zijn. Maar binnen die regio heb je klonterpunten en een activiteitenprogramma nodig of gedeelde faciliteiten, zoals studio’s en laboratoria. Het klonteren gebeurt meestal door een soort van makelaar die eigen waarde toevoegt en publieke en private investeringen aantrekt.’

Klonterlocaties

Alle vier de campussen zijn ‘klonterlocaties’ waar de genius loci van die regio zichtbaar wordt. Het succes van de regio Eindhoven heeft te maken met de beschikbaarheid van arm, maar toegewijd industrieel Brabants personeel in de vorige eeuw, waardoor Philips en DAF konden groeien. De bedrijfscrisissen van eind vorige eeuw werden door daadkrachtige leiders in overheid, universiteit en bedrijfsleven beantwoord met een strak geregisseerd akkoord voor de regionale economie. Doorslaggevend was het opengooien van het onderzoekscentrum van Philips voor externen en de afsplitsing van starters als ASML en NXP. Die openheid is nu cruciaal. Het regionale high tech-MKB kan zelfs per uur faciliteiten huren in de voormalige Philips-laboratoria en doet dat op grote schaal.

De Technische Hochschule van Aken, de grootste TU van Europa, is eigenlijk de universiteit van het Ruhrgebied, vanouds nauw verweven met de grote industrieën. Waar de overheid in Eindhoven nauwelijks een rol speelt, steekt het land Noordrijn-Westfalen jaarlijks € 500 miljoen in zijn TU. De campus is een netjes aangelegde, maar saaie verzameling van nieuwe kantoor-laboratoriumcombinaties. Elk gebouw richt zich op een ander onderzoeksterrein, met zwaartepunten in elektrotechniek, energie en mobiliteit. Startups en studenteninitiatieven spelen nauwelijks een rol. De gevestigde orde maakt er de dienst uit, maar de resultaten zijn er niet minder om.

In Leuven is het weer anders. Die universiteit begon al in 1972 met valorisatie van haar wetenschappelijke kennis, gedreven door één inspirerende hoogleraar. Nu heeft de universiteit de beste track record als het gaat om value to market van haar innovaties, vooral op het gebied van biotechnologie en fundamenteel IT-onderzoek.

Een bezoek aan de saaie gebouwtjes van Leuven Research and Development aan de rand van de stad is niet bepaald inspirerend. Maar deze zelfstandige dienst speelt wel de cruciale makelaarsrol. Zij beheert de virtuele onderzoeksbudgetten van de hoogleraren, die grote vrijheid hebben in de besteding daarvan. Zij mogen eigen bedrijven opzetten of zichzelf, onder bepaalde omstandigheden, een bonus toekennen. Dit heeft geleid tot een groot aantal succesvolle spin offs in de Leuvense regio. De economische en financiële prikkels zijn zeer sterk en het netwerk van de universiteit hecht en wereldwijd.

De Chemelot Campus is een hoekje (nou ja, 20 ha.) van het grote industriepark, voortgekomen uit de Zuid-Limburgse kolenmijnen en DSM. Vergelijkbaar met Eindhoven was het ook hier een bedrijfscrisis, namelijk van DSM, die de stoot tot oprichting gaf. Samen met de provincie Limburg en de Universiteit Maastricht begon DSM de campus om het regionale bedrijfsleven en onderwijs met elkaar te verweven.

DSM is in 1902 opgericht voor de steenkoolwinning. In de jaren ’30 slaagde de onderneming erin van ammoniak, een bijproduct van de mijnbouw, een basisgrondstof te maken voor kunstmest. Dit was de eerste stap in een proces dat leidde tot het huidige chemie- en kunststoffenconcern. Het chemische cluster is dus verweven met de regionale geschiedenis. Bedrijven kunnen een plek kopen op de campus, profiteren van faciliteiten en van goedkoop, doelgericht onderzoek door studenten. Onderwijsinstellingen kunnen een deel van hun opleiding op de campus onderbrengen. Dit concept blijkt te werken, er is nauwelijks uitval tijdens de opleiding.

Den Uyl, bij Twynstra Gudde bezig met de leer- en netwerkomgeving, vindt het opvallend dat Aken laat zien dat een centraal gestuurde, planmatige aanpak toch ook kan werken. ‘Het hoeft blijkbaar niet alleen maar om creatieve hubs en innovatieve start-ups te draaien. De Duitsers organiseren innovatie door competities over onderzoeksopdrachten tussen universiteiten uit te schrijven. De winnaar krijgt een instituut, inclusief een gebouw en kan aan de slag. Door de hechte band met grote bedrijven zijn deze instituten kapitaalkrachtig.’

Specialisatie

Je ziet nu overal dat bedrijven hun onderzoek uitbesteden aan gespecialiseerde actoren in een cluster, zegt Den Uyl. Bedrijfseconomisch is dat volgens hem voordelig want je hoeft er zelf geen laboratorium op na te houden, het is flexibel en je kunt conjuncturele schommelingen goed opvangen. Voorwaarde is wel een goede regeling van het intellectueel eigendom, maar daar blijken ze in alle gevallen oplossingen voor te vinden. Soms komen uit die gemeenschappelijke onderzoeksfaciliteiten nieuwe bedrijven uit voort. Dat zijn dan niet zozeer concurrenten, maar juist gespecialiseerde versterkingen van het cluster.

Een andere constante bij de vier praktijkvoorbeelden is de gestage ontwikkeling: je moet volhouden, met een stabiele, langdurige leiding door vaste personen. Jeroen den Uyl: ‘Daardoor ontstaat een netwerk van subtiel met elkaar verbonden onderzoekers, managers en bestuurders. Langdurige relaties zijn goud waard. Leuven heeft nauwelijks een campus, maar wel een aantal instellingen dat heel actief de netwerk- en platformfunctie vervult. Ze organiseren veel fysieke bijeenkomsten, met vaste regelmaat, content gedreven, dus geen wining and dining.’

Ecosysteem

Gregor Heemskerk kijkt speciaal naar de investeringskant en de governance: ‘Het is bijzonder dat universiteit en provincie in Limburg tientallen miljoenen euro’s investeren in grond en gebouwen van de Chemelot Campus. Zij willen heel sterk sturen op wie er zich mag vestigen, maar daarvoor zijn die overheidsinvesteringen niet nodig, daar zijn andere instrumenten voor beschikbaar. Ze zouden het beter aan marktpartijen over kunnen laten, zoals dat gebeurt bij de nieuwe Brainport Industries Campus bij Eindhoven. Dat wordt een campus voor high tech maakbedrijven en het concept zal strak worden bewaakt, maar daar hoef je geen verhuurder voor te zijn.’

Eindhoven springt er uit door zijn regionale ecosysteem, vindt Heemskerk. Een combinatie van zeer sterk bedrijfsleven, kennis  en design. In Leuven en Aken trekken overheden honderden miljoenen euro’s uit voor onderzoeksprogramma’s. Het onderzoekscentrum IMEC bij Leuven heeft bijvoorbeeld een cleanroom ter grootte van en voetbalveld gekregen. ‘Bij Eindhoven zit de kracht vooral bij de private sector. Het functioneren van dat ecosysteem zit in het DNA van de mensen en bedrijven in de regio. Dat is niet te kopiëren’, meent Heemskerk.

Maar iets anders is wel te kopiëren, althans, het is te proberen, zo legt hij uit. In Aken, Leuven en bij Chemelot zijn ze jaloers op de marketing van Brainport Eindhoven. Dat kan op het conto van de publieke partijen in Eindhoven worden geschreven. Je ziet nu dat anderen dat concept van regiobranding gaan opvolgen. De Leuvense regio is begonnen met de campagne Leuven Mindgate. En in Limburg gaan ze vier clusters, proberen te branden als Brightlands. Alleen Aken doet niet mee aan de brandinghype. Image is everything, maar dat geldt niet voor Duitsers.’

 

Bewaren

Bewaren

Share

Sorry, the comment form is closed at this time.